Hieronder analyseert Gerard Cats het recente WUR rapport: “De Nederlandse stikstofcrisis, Van verwarring naar verbinding” van de hand van Ros, Gerard H, Wouter BC de Heij, Harm Borgers, Jan Lock, Henk Kievit, Han van Dobben, Chris Backes en Wim de Vries, 2026, waarin een uitweg uit de “stikstofcrisis” wordt gesuggereerd.
In het rapport wordt zwaar ingezet op emissiereductie. Er wordt aangegeven welke maatregelen nodig zijn om de wettelijke doelen te halen, maar de maatschappelijke haalbaarheid daarvan krijgt geen aandacht. Al met al biedt het rapport niets nieuws, maar zaait het vooral onrust en twijfel. Het is de zoveelste poging tot uitstel van effectief beleid.
Het pretendeert een uitweg te bieden uit de stikstofcrisis. Daartoe proberen de auteurs eerst het probleem te ontrafelen naar drie deelproblemen: een stikstofprobleem, een ecologisch probleem en een juridisch probleem. Dat ze daarin niet goed slagen blijkt uit het vervolg van het document. De sectie over “het stikstofprobleem” gaat vooral over het ecologisch probleem, en de sectie over “het ecologisch probleem” vooral over het stikstofprobleem.
Het woordspel dat Ros et al. spelen met depositie- en emissiebeleid is verwarrend. Ook het huidige beleid is namelijk gericht op het verminderen van emissies, maar wel met als duidelijk doel om te zorgen dat de stikstofdepositie op een flink deel van het oppervlak de KDW niet meer overschrijdt. Zie de Memorie van toelichting van de wet Stikstofreductie en natuurherstel. Daarin is ook aangegeven dat alleen een generiek reductiedoel voor emissies te weinig specifiek is.
Een algemene omgevingswaarde voor de vermindering van de emissie van stikstof zou onvoldoende grip bieden op de locaties waar die emissie daadwerkelijk schadelijk is voor de natuur, daarmee minder effectief zijn en – in licht van de te bereiken doelstellingen – mogelijk ook minder proportioneel zijn.
De auteurs onderkennen de noodzaak de emissie van stikstof omlaag te brengen. Ze introduceren het begrip “doelsturing”. Uit de tekst valt op te maken dat ze daarmee bedoelen dat er gestuurd moet gaan worden op het doel “minder emissie”, zodanig dat in 2030 en 2035 aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Zij maken daarbij niet duidelijk wat daar nieuw aan is. Het huidige beleid is te sturen op vermindering van depositie, zodanig dat aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Dat komt op hetzelfde neer, behalve dat er nog een omrekening van emissie naar depositie tussen zit. De auteurs willen van die omrekening af.
Om de wettelijke doelen te behalen moet er een plafond aan de emissies worden gesteld. De auteurs stellen daartoe dat de emissies landelijk met circa 30% moeten dalen, in regio’s met veel emissie met 50% en in 500 m brede zones rond stikstofgevoelige natuur met 80%. Zij vertellen niet hoe ze deze getallen hebben berekend, en dus ook niet of deze reducties voldoende zijn om de doelen te halen. Zeker is dat er een omrekening van emissie naar depositie aan voorafgegaan moet zijn. Dus deze “doelsturing” kan evenmin zonder een berekening.
De genoemde getallen komen overigens voor landbouw grofweg overeen met schattingen door Brouwer (2025), en zullen dus wel volstaan, hoewel de auteurs suggereren dat de wettelijke doelen voor 2030 pas in 2035 behaald hoeven te worden. De te realiseren emissiereductie lijkt voor de landbouw sterk op het “stikstofkaartje van Van der Wal”, waarover veel maatschappelijke onrust is geweest [4]. De auteurs gaan niet in op onrust die de voor het behalen van het doel noodzakelijke concrete maatregelen mogelijk teweegbrengen. Het blijft een open vraag of de voorgestelde aanpak voldoende is om de doelen in 2030 te realiseren.
Indien een project of maatregel een toename van emissie veroorzaakt, kan volgens de auteurs daarvoor vergunning verleend worden, mits de emissie onder het plafond blijft. Bij de vergunningsverlening hoeft dus niet meer omgerekend te worden van emissie naar depositie. De auteurs hechten daaraan waarde, omdat zij de huidige omrekening complex vinden (overigens ten onrechte).
Het emissieplafond zou per regio, mogelijk per bedrijfstak of zelfs per bedrijf moeten worden vastgesteld. De auteurs suggereren dat die plafonds in de loop van de tijd afnemen, zodat in 2035 de emissies zo laag zijn dat aan de wettelijke eis (voor 2030 !) voldaan wordt. Dit impliceert dat grote vervuilers aanvankelijk, waarschijnlijk zelfs voortaan altijd, meer mogen uitstoten dan bedrijven die nu al veel hebben gedaan om de emissie te verminderen. De vervuiler beloond. Dit klinkt oneerlijk.
De auteurs spreken van “emissieruimte”; dat zou de ruimte zijn tussen het plafond, afnemend in de loop van de tijd, en de daadwerkelijke emissie. Die emissieruimte wordt toebedeeld aan bedrijven die willen uitbreiden. De auteurs vinden het bijna onmogelijk aan het huidige additionaliteitsvereiste te voldoen. Omdat volgens hen uitbreidingen binnen de emissieruimte passen wordt in hun benadering automatisch voldaan aan dat vereiste. Maar dat is essentie nu ook al het geval. Als de depositie voldoende afneemt door beleid en daarbij behorende maatregelen, is bewezen dat de maatregel niet nodig is voor die afname; waarmee die ook automatisch aan het additionaliteitsvereiste voldoet. Niets nieuws dus.
Momenteel ligt de depositie op heel veel plaatsen ver boven de KDW. De auteurs willen de KDW behouden als streefmaat. Het is dan onwaarschijnlijk dat de emissie binnen enkele jaren onder het vast te stellen plafond komt. In de systematiek die de auteurs voorstellen zal het dus jaren duren voordat er weer vergunningen kunnen worden uitgegeven. Dan is de huidige systematiek toleranter: weliswaar is het lastig vergunningen te krijgen, maar Aerius zal toch regelmatig uitwijzen dat een project vergunbaar is (qua stikstof). Deze mogelijkheid zouden de auteurs kennelijk afsluiten
De auteurs lijken zich hiervan bewust te zijn. Om toch nog vergunningen mogelijk te maken stellen zij een aantal maatregelen voor. Bouwen zou vergunningsvrij moeten worden; er moet een generaal pardon voor PAS-melders komen; en er moet een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar komen. Geen van deze maatregelen is echter gewenst en/of houdbaar. Vergunningsvrij bouwen zet de bouwers niet aan tot de inzet van emissiearm materieel. Een generaal pardon voor PAS-melders lijkt sterk op wat de Raad van State in 2019 heeft verboden, met dien verstande dat de auteurs dit pardon verbinden aan effectief landelijk en regionaal beleid voor emissiereductie. Dat is een strengere eis dan momenteel geldt voor legalisatie van PAS-melders. Daarvoor is immers slechts nodig dat de depositietoename door een PAS-melder aanzienlijk kleiner is dan de afname, in een gebied van 25 km rondom de PAS-melder. Dat is dus niet afhankelijk van regionaal en al helemaal niet van landelijk beleid. Een rekenkundige ondergrens, tenslotte, kan om fysisch mathematische redenen alleen 0 (nul) zijn, en wel omdat die evenredig is met de bronsterkte. Verder is het merkwaardig dat de auteurs wel een rekenkundige ondergrens willen maar niet willen rekenen.
De conclusie is dat de auteurs niets nieuws presenteren, afgezien van nieuwe mist in de discussie, en vergunningsverlening niet vlot zullen trekken.
Tenslotte zij opgemerkt dat het rapport op velerlei punten niet aan de eisen van een verantwoorde publicatie voldoet. De assen van een grafiek kloppen niet; verwijzingen zijn niet terug te vinden. Het kwalijkst is het verkeerd citeren van andere publicaties, waaronder de Habitatrichtlijn en het eindrapport van de Commissie Hordijk.
Gerard Cats heeft een meer uitgebreide reactie op een aantal uitspraken van Ros et al. gegeven. U vindt ze hier.